===== Het verhaal van de Strijd tegen Andras ===== //door Marcus Flavius Ursus// We kwamen voor het eerst in aanvaring met de Heer van de Jacht in het Wold, in het 26e regeringsjaar van uw moeder, Keizerin Leta. Het verhaal is bekend, en doet mij nog steeds pijn om te vertellen - van een groots overleg over het lot van het Al, Uitverkorenen van de Goden in een afgezonderde hut in het woud, en een horde verwrongen monsters die hen belaagde. Het Gardecohort dekt de aftocht, en houd stand tegen golf na golf aan wendigo en bloedorken. De linie buigt, maar breekt niet, en de Uitverkorenen kunnen naar de veilige herberg vluchten. Maar dan verschijnt de Heer der Jacht zelve, in de vorm van een grote kerel met lange wapperende haren en een maniakale blik in de ogen, van top tot teen bedekt in het bloed van zijn slachtoffers. In beide handen heeft hij een zwaard, waarmee hij onnatuurlijk harde klappen uitdeelt, genoeg om zelfs ervaren krijgers met enkele slagen te kunnen verslaan. Waar de linie van het Gardecohort stand kon houden tegen zijn volgelingen, is de woeste razernij van Andras zelf wel te veel - de linie breekt, maar heeft lang genoeg stand gehouden dat de Uitverkorenen in veiligheid zijn. De prijs daarvoor was zeer hoog, en vier Petraeanen blijven dood op het slagveld achter. Quintus Servilius, Titus Vorenus, Manius Aemilius, Silvanus Casius hun schilden staan niet meer aan onze zijde en hun stemmen horen wij nimmer meer. Sinds die tijd zinnen wij op vergelding, maar we wisten toen nog niet hoezeer het verhaal van Andras met het onze verweven was. Er speelden zaken die belangrijker waren dan onze persoonlijke grieven, het Keizerrijk werd bedreigd door Nihilisten die het Al wilden vernietigen. Vereende krachten van mensen, demonen, en zelfs Goden waren vereist om te overleven, en wij hadden een belangrijke rol te spelen in het trainen van een ware Kampioen om het Niets te verslaan. Deze zaken gingen natuurlijk voor. Andras raakten we echter niet uit het oog, in tegendeel - we leerden zijn verhaal steeds beter kennen. Het bleek dat hij in het verleden ook Kampioen van het Al was, de vorige keer dat het Niets weerstaan moest worden om de wereld te redden. In die tijd was hij nog bekend als Andreas, de dapperste van alle krijgers ter wereld. Hij was het die, opgeleid door de Zwaardmeesters, met steun van alle volkeren van de wereld, het Niets confronteerde en in een grootse strijd wist te verslaan. Het Niets werd opgesloten, en Andreas was de held van het Al. Na dit hoogtepunt ging het bergafwaarts met Andreas. Zijn grote doel in het leven was vervuld, en nu kwam hij in een zwart gat terecht. Hij kon niet aarden in een normaal leven, en bleef op jacht naar Nihilisten om te verslaan, of ze nou echt Nihilisit waren of alleen in zijn verbeelding. Langzaam vervreemde hij van zijn vrienden en van zijn broer, de Archivaris. Steeds verder gleed hij af naar de duistere razernij, en zijn jacht op schuldigen en onschuldigen, tot hij uiteindelijk verwerd tot Andras, de Heer der Jacht zoals wij hem nu kennen. In deze vorm werd Andras steeds actiever toen de Nihilisten ook weer opkwamen, en zo kwamen wij tijdens de Strijd tegen het Niets steeds met hem in aanraking. Uiteindelijk wisten wij hem tot rust te manen door aan te tonen dat we een nieuwe Kampioen van het Al opgeleid hadden, die in staat was om in zijn plaats de Nihilisten te verslaan. Een bedreiging was Andras daarna niet meer, maar we hadden hem niet verslagen en de knagende wens naar genoegdoening voor de gevallen Petraei bleef. We waren het niet vergeten. Deze lente, in het 32e regeringsjaar van onze Keizerin, Leta, keerden wij terug naar het Wold, voor het eerst sinds dat jaar in de Groene Hel toen de strijd tegen het Niets echt begon. Andras had altijd een sterke connectie met het Wold, dus we hielden onze oren en ogen open naar tekenen van zijn aanwezigheid. Toen we hoorden dat hier ook de toren van de Archivaris gevonden was, werd onze aandacht gewekt - de Archivaris was immers de broer van Andreas, dus wellicht dat er nog nuttige informatie te vinden was. Ik vroeg Pavel, de nieuwe Archivaris, om voor ons eens te zoeken, en hij kwam op een ochtend inderdaad met een interessant document - een pagina uit het dagboek van de Archivaris. In dit document beschreef de Archivaris het afglijden van zijn broer in waanzin. Maar hij schrijft ook dat hij de middelen had om die waanzin te stoppen, in elk geval tijdelijk, maar dat hij dat nooit aangedurfd heeft. Maar het ritueel, de componenten en de stappen, het staat allemaal op het vel papier dat wij in handen hebben. Zou dit een mogelijke manier zijn om Andras te verzwakken, genoeg om het te verslaan? Ik besluit in elk geval de componenten te gaan verzamelen, en vul een buidel met linten, een roos, en heel veel gewijd water. Wie weet… Die avond staan we stil bij onze gevallen kameraden. Een monument wordt onthuld, onderscheidingen uitgereikt, toespraken gehouden. Een sombere stilte daalt over het bos. Maar dan, een vreemde man komt naar voren en gaat midden voor de menigte staan. Hij roept zijn meester aan, Andras, Heer van de Jacht, en hij offert zichzelf. Stomverbaasd kijkt iedereen toe. Een raar rumoer zwelt op uit het bos, een paars licht, en een golf van waanzin lijkt zich uit te storten over de menigte. Mensen vluchten alle kanten op. Ik kijk rechts van mij, en zie een krankzinnige blik in de ogen van Vesta. Ze snuift, roept om een prooi, en reageert verder niet om mijn stem. Ik kijk naar links, in het gezicht van Leopold, en zie een veeg van bloed van de Generaalsbezwering die zijn geest beschermt. Hij snapt er even weinig van als ik. We besluiten snel in de herberg te hergroeperen. Eenmaal in de herberg viel pas op hoeveel van ons gegrepen waren door de waanzin. Slechts een handje vol mensen had zich binnen verschanst. Leopold en ik wisten echter wat ons te doen stond, het document van de Archivaris beschreef precies een situatie zoals we nu mee maakten. Snel haalden we een grote kelk voor het gewijd water, en begonnen we de componenten klaar te maken. We merkten al snel dat we handen te kort zouden komen, het ritueel was eigenlijk te complex om met z'n tweeën uit te voeren. We keken de herberg rond wie ons kon helpen, maar niemand durfde meer naar buiten, de waanzin in. Maar voor we wanhopig konden worden, kwam er hulp uit onverwachte hoek - Roos en Robin, twee ongewapende dames die ik eerder in een theekransje dan in een veldslag zou zien, boden aan te helpen. Zelfs nadat ik uitgelegd had wat er moest gebeuren twijfelden ze niet, voor het algemeen goed durfden zij deze missie aan. Wij hadden ons voorbereid, haalden nog eens diep adem, en gingen naar buiten, op pad naar het centrum van de waanzin. Ik droeg de kelk met gewijd water, Roos de bloem, en Robin de krans van rode en blauwe linten. Leopold beschermde ons. Buiten werd langzaam duidelijk wat er aan de hand was. Een deel van de avonturiers gedroeg is als jagers, op jacht naar prooi om bij een altaar van Andras te offeren. De rest van de mensen was prooi, vluchtte weg en verborg zich in het bos. Zodra een jager een prooi te pakken had, werd de prooi weerloos en kon de jager deze naar het altaar op een open plek in het midden van het woud brengen. Daar, in het midden, wemelde het van de volgelingen van Andras, die het allemaal in goede banen aan het leiden waren. Ik vroeg me af hoe we veilig bij het altaar konden komen, tussen alle jagers en demonenaanhangers door, en begon voorzichtig die kant op te bewegen. Leopold dacht wat sneller dan ik, en verzon snel een list - hij greep mij in mijn nek en riep luidkeels dat hij een prooi te pakken had die op het altaar geofferd moest worden. Roos en Robin volgden ons voorbeeld. De list werkte perfect, iedereen die we tegenkwamen liet ons direct door, en stuwde ons als het ware naar de open plek. Niemand legde ons een strobreed in de weg, we konden ongehinderd de open plek op en doorlopen naar het altaar, midden tussen alle aanhangers van de Heer van de Jacht die zich daaromheen verzameld hadden. Bij het altaar, midden in de cirkel, knielde ik. Snel haalde ik de volle kelk onder mijn mantel vandaan en goot die klaterend leeg over het altaar. Rosalinde, geknield naast mij, vleide de witte roos voorzichtig op het natte altaar, en Robin legde de krans van linten eromheen. Gezamenlijk riepen we de Goden aan, en smeekten hen om vrede. Ik riep de Hemelkeizer aan, met het talent dat mij gegeven is, om in zijn naam vrede te verzoeken. Het werd stil om ons heen, maar niet omdat de waanzin afnam maar omdat iedereen te verbaasd was om te reageren. De waanzin was nog te zien in hun blikken, te horen in hun stemmen. Nogmaals riep ik om vrede, luider en dwingender dit keer. En een derde keer, zo krachtig als ik kon, ik vroeg, nee ik eiste welhaast om vrede. En pas toen keek ik op, en zag ik wie er aan de andere kant van het altaar stond - Andras, de Heer van de Jacht zelve. De waanzin was niet weg, Andras trok zijn wapens begon er op los te slaan. Ons ritueel was verbroken. Het had voor ons geen zin meer om te blijven, we moesten de twee ongewapende dames die ons geholpen hadden zo snel mogelijk weer in veiligheid brengen. Leopold trok de aandacht van Andras, terwijl ik de beide dames naar de rand van het bos begeleidde. Zodra ze op een wat rustiger plek waren, ging ik terug om Leopold te zoeken. Ik was te laat, ik vond hem ineengezakt tegen een boom. Het geweld van Andras was te veel, en weer had deze demon een Petraeaan gedood. Ik verbeet mijn verdriet en woede, en keerde ik terug om Roos en Robin naar de herberg te begeleiden. In de herberg was ik alleen. Mijn manschappen waren dood, of ergens in het bos in de greep van de waanzin. Ons ritueel leek geen enkel effect gehad te hebben, het rumoer van de jacht ging onverminderd door. Leopold was gestorven omdat hij mijn bevelen opvolgde, en waar voor? Onze missie was mislukt, Andras leek sterker dan ooit. In dat donkerste moment begon er langzaam toch weer hoop te gloren. Ik werd aangesproken door iemand van een groep demonenjagers. Zij waren al eeuwenlang in het geheim actief in Elerion, om burgers en ingezeten te beschermen tegen bedreigingen uit de onderwereld. En zij konden ons helpen om Andras te vernietigen. Een effect zoals de waanzin die nu over het woud hing, was zelfs voor een demon niet zomaar iets - een stukje van Andras essentie zou hier in het Wold aanwezig moeten zijn, zijn zegel zouden we hier ergens moeten kunnen vinden. Met dat zegel, en het juiste ritueel, was Andras te vernietigen. Op dat moment begon ook het rumoer in het bos af te nemen, en de groepjes jagers om de herberg gedroegen zich minder wild. Ik zie Vesta tussen de jagers staan, en ik roep haar naam. Ze reageert een beetje weifelend met 'ja', en ik zie dat de waanzin aan het wegtrekken is. Ik neem haar direct mee het bos in, om het lichaam van Leopold op te halen en op zoek te gaan naar het zegel van Andras. Langzamerhand begonnen steeds meer avonturiers de waanzin van zich af te schudden, en weer normaal aanspreekbaar te zijn. Maar een aantal personen vielen op, omdat ze zich nog een beetje raar gedroegen. Al deze personen hadden een rare tekening op hun voorhoofd. We brachten er eentje naar de demonenjager, en die bevestigde wat wij al vermoedden - het leek op een fragment van een demonisch zegel. Snel verzamelden we alle vier de personen met een zegelfragment op hun voorhoofd, en konden we het zegel overtekenen. {{ publiek:andrasseal.png?nolink&97x97 |Het zegel van Andras}}Nu kwam de volgende uitdaging, het zegel moest in drievoud in goud uitgevoerd worden. We moesten driehonderd goudstukken verzamelen, en een smid om deze om te smelten. De smid was snel gevonden, het goud was natuurlijk een grotere uitdaging. We schudden onze zakken leeg, en vroegen onze vrienden om een bijdrage, maar dat was natuurlijk lang niet genoeg. We gingen de avonturiersgroep langs om edelstenen te wisselen of om donaties te vragen, en velen van hen wilden helpen want iedereen had wel bekenden verloren in de Groene Hel. Al snel zaten we over de honderd goudstukken, maar dat was nog lang niet genoeg. Mensen gingen eigendommen doneren, sieraden, militaire onderscheidingen, alles ging in de pot, maar nog steeds hadden we niet genoeg goud. We wilden er eigenlijk niet over denken, maar uiteindelijk kwamen we er niet omheen - het monument voor de gevallenen was verguld met een dikke laag goud, dit zou eindelijk genoeg zijn. We aarzelden, twijfelden, we wilden het eigenlijk niet. Daar stond de herinnering aan onze gevallen broeders, onze manier om hen te eren. Dat konden we toch niet schenden? Maar toen bedachten we - dit zijn mensen die het uiterste offer al gegeven hebben in de strijd tegen Andras, zouden zij ook maar een seconde twijfelen om ook dit te gegeven als het betekent dat Andras verslagen kan worden? Natuurlijk niet. Ook het monument moest er aan geloven, en nu hadden we eindelijk voldoende goud voor drie zegels. We wisten nog hoe we de aandacht van Andras konden trekken, uit de tijd dat we dit nodig hadden in de strijd tegen het Niets, door een prooi voor hem klaar te zetten en zijn naam te roepen. We zochten een goede plek op, een open plek in het bos, en een grote schare avonturiers trok daarheen. Lang niet alleen Petraei, Woldwachters en leger, velen hadden geleden onder Andras en wilden hun gram halen. Drie mensen met een zegel vormden een driehoek, en Andras riepen we in het midden op. En hij kwam, maar niet alleen - ziellozen, wendigo, andere volgelingen, Andras het een leger mee. Een grote veldslag ontstond, maar we hielden onze focus op het belangrijkste - Andras moest binnen de driehoek van zegels blijven, en die driehoek werd steeds kleiner. Hoe kleiner de driehoek, hoe dichterbij de zegels waren, hoe kwetsbaarder Andras werd. Telkens probeerde hij de driehoek te ontsnappen, maar elke keer vond hij krijgers op zijn weg die hem de weg versperden. Andras werd zichtbaar zwakker, en onze klappen begonnen te tellen. Eindelijk hadden we onze vergelding, en bij elke klap riepen we de naam van een gevallen kameraad - Quintus! Titus! Manius! Silvanus! Leopold! Het gaf onze armen kracht, en Andras zeeg ineen onder onze slagen. In een paarse wolk verging hij, en een onvoorstelbare hoeveelheid zielen kwam vrij, vrij om de put der vergetelheid op te zoeken. Eindelijk, na al die jaren, waren de slachtoffers van de Groene Hel gewroken. Die nacht hebben we gedronken als nooit te voren. Op al onze kameraden, degene die we verloren hebben, maar ook degenen die we nog hebben. Op alle verdoemde zielen die eindelijk vrij zijn. En op het einde van het schrikbewind van de Heer van de Jacht. Wankelend zochten we tegen het ochtendgloren onze barakken op.