publiek:na_regen_komt_zonneschijn

Na regen komt zonneschijn!

Een ooggetuigenverslag vanuit Lopik

Na regen komt zonneschijn. Een wijsheid zo oud als de wereld maar toch één die blijft verwonderen. Gisteren liep ik in druilerige weer naar het fort van de Petraei bij Lopik. Mijn doel: het hospitaal te bezoeken. Tussen toen en nu is mijn wereldbeeld veranderd. Vroeger zag ik soldaten als mensen die niets nuttiger kondendoen dan met een wapen zwaaien. Handelaren en boeren, dat is wat het Keizerrijk overeind hield. Dus waarom geven die Petraei alleen gratis zorg aan voormalige soldaten en de meest arme van Lopik?

Gisteren: terwijl mijn voeten mij over het stenen pad van Lopik naar het fort brengen, erger ik me ook aan het pad dat alleen is aangelegd naar hun fort. Laat die soldaten dan in het gehele keizerrijk dit soort wegen aanleggen, dan kan de handel ook eindelijk eens iets nuttig krijgen van het geld dat het leger opslokt.

Het weer helpt niet mee om de stemming te verlichten. Maar goed, in de verte zie ik het fort en een grote bedrijvigheid. Denkend aan of dit wel een goed idee is, loop ik verder naar de ingang van het fort. Daar staat hij dan, Publius Tranquillus, normale namen hebben ze ook niet. Gisteren sprak ik hem nog in Lopik met een goed glas wijn bij kaarslicht. Leek wel een aardige gast, dus laat ik eens gaan kijken wat ze nou allemaal doen in dat fort van hun. Normaal blijf ik zover mogelijk van ze weg, maargoed, ook onder soldaten moeten er goede lui zijn, en hij is een priester van de Jaden Hemelkeizer.

Nu zit ik aan een tafel buiten de restanten van de poort waar ik gisteren door heen liep. Het grote en lange begrafenisritueel is net klaar. Gisteren waren er 196 soldaten en 28 patiënten in het fort. Nu zijn er 123 soldaten en 54 patiënten. Zevenenveertigsoldaten zijn vandaag begraven en vele honderden Nillisten. Zevenenveertig levensverhalen zijn de revue gepasseerd en dan nog begraven zij hun vijanden met plechtigheid. Zevenenveertig zielen zijn naar hun god gegaan, zodat ik vandaag nog kan ademen.

De gracht voor het fort hadden ze pas twee weken geleden gegraven. De staken onder het wateroppervlak had ik niet gezien. Vanochtend kon je het water niet meer zien door de verbrande lijken. De eerste golf van Nillisten heeft zich op de staken geworpen om zo een brug te maken voor de rest van de aanval. Aan alle vier zijden kwamen er ladders tegen de muur. Al dit heb ik gezien vanaf de centrale toren, samen met Publius. De hordes van Nillisten stormden op ons af. Hoe konden de Petraei zo rustig blijven, terwijl ik ons einde zag naderen?

“Publius helpt mij overeind; ik ben blijkbaar flauwgevallen, en hij geeft mij een drankje voor mijn zenuwen. Ondertussen zie ik geen enkele ladder meer tegen de muren. Ze zijn allen omver geduwd. Hoe kan een dergelijke kleine macht dat doen? Ik zie alleen nog maar mensen in het rood op de muur staan. Alle andere kleuren zijn beneden aan de voet van de toren of rond het hospitaal opgesteld.De eerste golf is afgeslagen en trekt zich terug. Toch ben ik de enige die juicht. Een moment later zie ik de Nillisten zich tot een groep hervormen. Die tweede golf breekt de poort open. Wederom denk ik dat het einde nabij is. Mijn angst wordt gestoord door een hoorn signaal. Een tovenaar op een hoektoren gooit een eenzame vuurbal naar de poort en alle hoop vloeide uit mij weg. Is dat het enige wat ze gaan doen?

Die ene vuurbal ontsteekt de gehele gracht in vuur en vlam terwijl de tovenaar zelf een hoopje as wordt. Wat is dit voor vreemde wereld? Dit is niet hoe het werkt. Publius verteld kort dat een deel van de magie is geweerkaatst op de eenzame tovenaar. Maar die ene vuurbal heeft een vuurzee ontstoken die gevoed word door olie. De Nillisten aan onze kant van het vuur worden gedood en in het vuur gegooid. De gebroken poort wordt gebarricadeerd.Ondertussen stromen de gewonden binnen om door de priesters en tovenaars te worden genezen zodat ze weer naar de strijd kunnen. Maar ook de doden komen binnen, zij die niet meer de wereld aanschouwen vanuit hun eigen lichaam. Het vuur brandt en geeft ons de tijd om te herstellen, te drinken en wat eten te nemen. Maar daar buiten in het donker zal de vijand zich ook voorbereiden op hun volgende aanval. De vuurzee en rook ontneemt mee gelukkig het zicht op de Nillisten.De derde golf is verschrikkelijk. De vijand gebruikt de opstapelende doden als een heuvel van lijken, waarmee ze de muur kunnen bestijgen. Hoe kunnen wij hierop reageren? Wat kunnen we hier in de godensnaam tegen doen?

Ik heb nog maar net de gedachte afgemaakt en de gehele poort stort met torens en al in. Een groot deel van de Nillisten wordt levend onder het puin begraven. Terwijl het stof weg waait, komt er een groep van tovenaars en hellebaardiers bij Publius en mij. Ze groeten de commandant en voordat ik het weet, trekken alle tovenaars een kubus en weg zijn de hellebaardiers. Gelijktijdig komen er grote vuur vlammen vanuit de muur richting de poort. De gracht wordt nogmaals een inferno maar op de plek waar deze door lijken is gedempt, staan nu die hellebaardiers te vechten.

Hoe lang ze stand hebben gehouden weet ik niet, maar lang genoeg dat alle andere soldaten, gewond of dood, terug kunnennaar de centrale toren en het hospitaal. Het lijkt lang alsof geen wapen de hellebaardiers kan treffen maar dan valt toch de eerste. Van de groep van twaalf komen er maar zes terug. Terug op de manier zoals ze zijn gekomen, door de tovenaars. Elk van hun draagt een gevallen broeder of zuster.”

De Nillisten stormden het fort binnen. Hun aantallen waren niet meer ontelbaar, maar het waren er wel teveel. Het halve fort is nu een ruïne. Het ene na het andere gebouw hebben de Petraei zelf met katapulten tot een ruïne gemaakt om de vijand levend te bedelven. Ballista's schoten de ene na de andere Nillist dood. Maar de vijand bleef maar komen. De wanhoop greep zijn kans. Maar er stond altijd iemand in het rood met een in bloed getekende bijl op zijn hoofd: onvatbaar voor de wanhoop. Ondertussen stond ik alleen in de toren. Iedereen was aan het vechten.

‘In de verte zie ik de aankomende verlossing. De vlaggen van de graaf van Lopik met in de voorhoede een groep in groen geklede Petraeianen. Ik storm naar beneden met het nieuws.’

De volgende ochtend leidt Publius mij rond in het hospitaal. Sommige patiënten zijn niet alleen gewond aan de buitenkant. Ik ontmoet ook mensen die innerlijke schade hebben. En ik kan mij eindelijk voorstellen waarom soldaten naar de drank grijpen. Op afstand en relatief veilig heb ik alles gezien, maar dit wil ik nooit meer mee maken. Publius staat nog bij de laatste brandstapel, wiens levensverhaal werd genoemd, van Claudia Vorena. De laatste Petreiaan die stierf in deze slag. Zij was het die in de punt van de linie stond toen de graaf ons kwam ontzetten. Zij wiens man is gestorven in 't Wold. Hij die samen met die krijger gevochten heeft die door de keizerin groot is geëerd. De meeste soldaten zullen nooit zo'n eer mogen ontvangen, maar ik ben ze even dankbaar voor hun opoffering en die van alle andere soldaten, burgers en tovenaars die strijden om ons als burgers te beschermen.

  • publiek/na_regen_komt_zonneschijn.txt
  • Laatst gewijzigd: 2024/09/09 15:12
  • door 127.0.0.1